Trekvlinders zijn vlinders die migreren over grote afstanden naar gebieden waar zij zich niet blijvend kunnen vestigen. Trekvlinders worden op alle continenten van de wereld (met uitzondering van Antarctica) waargenomen, ze trekken vanuit of binnen subtropische en tropische gebieden. Het begrip trekvlinder is plaatsgebonden: alleen op plaatsen waar de vlinders zich niet blijvend kunnen vestigen zijn ze als trekvlinder te identificeren.
Door te trekken ontkomen de vlinders aan ongunstige omstandigheden, zoals ongunstig weer, gebrek aan voedsel of overpopulatie. Net als bij vogels zijn er soorten vlinders waarvan alle individuen gaan trekken, maar ook veel soorten waarvan maar een deel van de individuen wegtrekt, net als deeltrekkers bij vogels. Deze vlinders zijn standvlinders in een deel van hun verspreidingsgebied.
Inhoud |
Een geheel eenduidige definitie van vlindertrek is er niet, en dit geldt ook voor voorstellen tot een indeling in klassen van trekvlinders.[1]
Zo wordt het verschijnsel dat vlinders zich op eigen kracht verplaatsen over een flinke afstand ook wel met "trek" aangeduid als ze binnen hun bekende leefgebied blijven. Deze vlinders worden meestal zwervers genoemd. Een bekend voorbeeld is het groot koolwitje. Van deze soort wordt soms massale "trek" waargenomen, maar niet naar gebieden waar blijvend vestigen niet mogelijk is. Anders dan de echte trekvlinders, gaat het hier om standvlinders.
Deze scheidslijn tussen zwervers en trekkers is niet makkelijk te trekken. Er zijn soorten trekvlinders die in Nederland wel kunnen overleven, maar in te kleine aantallen om dat lang vol te houden. Anderzijds zijn er soorten die soms voor meer dan twee jaar een populatie vormen, en die worden niet tot de trekvlinders maar tot de zwervers gerekend, het zijn onregelmatige standvlinders. Pas als een soort in een gebied tien jaar een vaste populatie heeft spreken we van een standvlinder.
Extra verwarrend is dat de term zwerver ook gebruikt wordt als term voor een trekvlinder die niet jaarlijks, maar wel zo nu en dan, wordt waargenomen. Daarnaast wordt dan de term dwaalgast gebruikt voor een vlinder die vrijwel nooit ter plaatse is gezien.
Geen trekvlinders zijn vlinders die gezien worden als adventief. Deze komen niet op eigen kracht buiten hun leefgebied terecht, maar bijvoorbeeld doordat zij zijn gekweekt door een verzamelaar en ontsnapt, of met plantmateriaal zijn meegekomen uit andere delen van de wereld. Soms is moeilijk te bepalen of gevangen vlinders als adventief of zelfstandig onze gebieden hebben bereikt. Trekvlinders als de Turkse uil en de katoendaguil kunnen ons gebied zelfstandig bereiken, maar worden ook veel aangetroffen in de glastuinbouw.
Het trekken van vlinders is veelal seizoensgebonden. Bij vlindersoorten waarvan alle individuen trekken, beweegt de populatie zich tussen gebieden voor zomer- en winterseizoen of voor droog en nat seizoen.
Bij vlindersoorten waarvan maar een deel van de individuen trekt is dit minder duidelijk. Zij hebben zich in een deel van hun leefgebied permanent gevestigd. Daarnaast bereiken ze gebieden waar zij zich niet blijvend kunnen vestigen, en leven daar in het voor de soort gunstige seizoen. Onder deze vlindersoorten zijn er waarvan een aanzienlijk deel van de individuen weer terugtrekken naar het gebied waar de soorten permanent worden gezien, en andere soorten waar dat niet of nauwelijks gebeurt.
Een belangrijk verschil met vogeltrek is dat een individuele vlinder in zijn leven in het algemeen één kant op trekt, terwijl vogels in hun leven vaak meerdere keren heen en weer trekken. Dit heeft te maken met het korte leven als imago van de meeste vlinders. Waar vlindersoorten heen en weer trekken, gebeurt dit in het algemeen door individuen van verschillende generaties. Er zijn wel uitzonderingen, bijvoorbeeld:
Trekvlinders zijn in het algemeen uiteraard goede vliegers en soorten als de atalanta kunnen ook behoorlijke tegenwind trotseren. Dan vliegen ze meestal laag, maar doelgericht.[2] Tijdens de trek kunnen de vlinders echter ook op grote hoogte, tot wel 2 kilometer, worden gezien.[3][4] Zeker voor een dagvlinder als de atalanta is dat opmerkelijk, omdat de luchttemperatuur op deze hoogten laag is, en dagvlinders om te gaan vliegen meestal van opwarming van buitenaf afhankelijk zijn. Kennelijk produceert de atalanta echter in de trekvlucht voldoende lichaamswarmte. Overigens is de atalanta ook 's nachts trekkend gezien.
De vlinders laten zich graag meevoeren op (gunstige) wind, zoals is gebleken bij bestudering van de trek van de distelvlinder van Afrika naar Spanje.[5]
Dat trekvlinders goede vliegers zijn, wil niet altijd zeggen dat het grote robuuste vlinders zijn. Ook de kleine koolmot is een trekvlinder, die tot op meer dan 100 meter hoogte wordt gevonden[6] en meer dan 3000 kilometer kan afleggen[7].
Om doeltreffend te kunnen trekken moeten vlinders zich goed kunnen oriënteren. Er zijn verschillende manieren waarop zij dit doen.
Landschapskenmerken: Vlinders gebruiken kustlijnen, bergen en bergpassen, maar ook door de mens aangelegde wegen om zich boven land te oriënteren. Boven zee is ook gezien dat, zolang landschapskenmerken aan de kust zijn te zien, de trekrichting veel nauwkeuriger blijft, dan wanneer deze kenmerken niet meer zichtbaar zijn. In het bijzonder maken vlinders gebruik van landschappelijke elementen in de juiste trekrichting.[2]
Zon en andere hemellichamen: Van dagvlinders is bekend dat zij zich kunnen oriënteren door gebruik te maken van de zon. Zij kunnen bovendien navigeren op gepolariseerd licht. De polarisatie van het zonlicht verandert met de hoek van inval, en daardoor kunnen de vlinders zelfs bij bewolkte hemel richting bepalen. Er zijn aanwijzingen dat vlinders in staat zijn correcties te maken voor de tijd van de dag. Zo vliegen distelvlinders rechte trajecten en niet in een vaste hoek ten opzichte van de zon.[8] Er zijn testen gedaan met het ontregelen van de interne klok door vlinders in het donker te houden, en dan te zien of zij kiezen voor aangepaste vliegrichting. Het bleek dat sommige soorten de richting aanpasten, andere niet.[9] Voor nachtelijke vliegers is zonlicht niet bruikbaar. De meeste nachtvlinders moeten het doen met de maan en de sterren.
Aardmagnetisch veld: Een aantal soorten (nacht-)vlinders oriënteren zich waarschijnlijk met behulp van het aardmagnetisch veld, zoals studie naar de zwerver gewone worteluil[10] suggereert. Studie naar trekgedrag van de gamma-uil liet zien dat deze, ook als ze op hoogte vliegen, hun koers kunnen corrigeren bij veranderende wind, en vooral kiezen te vliegen bij gunstige wind, wat in elk geval een sterk richtinggevoel suggereert.[11] De trekvlinder Aphrissa statira in Panama verliest zijn navigatiecapaciteiten wanneer hij eerst aan een sterk magnetisch veld is blootgesteld, wat wijst op oriëntatie met behulp van magnetisme.[12]
Trekvlinders worden op alle continenten gevonden in of vanuit tropische en subtropische gebieden. Aan de noordkant zijn trekvlinders tot in Spitsbergen, dus ver boven de poolcirkel, aangetroffen.[7] Enkele trekvlindersoorten hebben zich over vrijwel de gehele wereld verspreid. Daaronder zijn enkele soorten die zich kunnen manifesteren als plaaginsecten, zoals de koolmot, de katoendaguil en de ni-uil.
Trekvlinders komen over de gehele wereld voor, dit zijn enkele voorbeelden:
De vlinders die als trekvlinder in voorjaar en zomer naar onze omgeving komen zijn in het algemeen afkomstig uit Zuid-Europa, Centraal-Europa, Noord-Afrika, Midden-Afrika en Klein-Azië.
De eerste vlinders komen omstreeks april aan, maar soms vindt de trek naar onze streken al heel vroeg in het jaar plaats. Dit gebeurde bijvoorbeeld in februari 2004, toen het heel zacht weer was en er gunstige winden woeien. In die maand waren er waarnemingen van distelvlinder, Florida-uil, grote worteluil en enkele andere trekkers.
In het najaar vindt soms deels terugtrek (remigratie) plaats. Bij sommige soorten vindt zowel remigratie van individuen plaats, als pogingen van andere individuen om te overwinteren. Ons klimaat staat overwinteren echter in het algemeen niet toe, want de meeste trekvlinders zijn niet bestand tegen behoorlijke vorst. De aanzet tot het trekken wordt vermoedelijk opgewekt door (minimum)temperatuur en nachtlengte.
Voor de Nederlandse situatie is een overzicht van de echte trekvlinders aangegeven door Kuchlein en De Vos in 1999. Inmiddels zou deze lijst verouderd kunnen zijn, doordat nieuwe soorten ons land bereikt hebben.
De kolibrievlinder is een vlinder die het hele jaar is te zien in het subtropische deel van het Palearctisch gebied. In de zomer trekt de soort naar het noorden, en is tot in Scandinavië en IJsland te vinden. In de winter trekt hij naar het zuiden, en wordt hij juist meer zuidelijk in Afrika en op het Indisch subcontinent gezien.
Ook in Nederland en België is de kolibrievlinder aan te treffen, in gewone jaren zijn er in Nederland tussen de 100 en 200 meldingen en is de vlinder tamelijk schaars. Maar in jaren met warme zomers, zoals in de zomers van 2005 en 2006, kunnen er vele duizenden meldingen zijn.[17] In zachte winters kunnen kleine aantallen kolibrievlinders hier overleven, maar zeker niet genoeg om te kunnen spreken van een vaste populatie.[1] In de winter kunnen ze op vroegbloeiende planten of zelfs bij een bloemenwinkel worden gezien. De vlinders eten dan als een kolibrie voor bloemen hangend met hun roltong de nectar uit de bloem. De kolibrievlinder wordt echter vooral in de nazomer waargenomen.
De meest bekende trekkers die worden gezien in Nederland en België zijn de atalanta, distelvlinder en gamma-uil.
Meestal ontkomen vlinders door te trekken aan (potentieel) ongunstige omstandigheden. Voorbeelden van dit soort omstandigheden zijn gebrek aan voedsel- of waardplanten, ongunstige klimatologische omstandigheden, zoals kou of zware regen, of overbevolking.
Een verschijnsel als vlindertrek is ontstaan uit evolutionaire ontwikkelingen. Door het trekken is een trekvlindersoort kennelijk in staat gebleken de natuurlijke selectie te doorstaan. We kunnen een aantal voor- en nadelen van het trekken voor de trekvlindersoorten benoemen.
Voor alle vlindersoorten brengt een vrij geringe mate van verplaatsing al voordelen. Het zorgt voor voldoende genetische menging. Dit voorkomt inteelt. Als de verplaatsing over iets grotere afstand gebeurt, kan deze bovendien leiden tot het vinden van nieuwe leefgebieden. Dit maakt een soort minder kwetsbaar.
Door te trekken over grote afstanden kunnen echte trekvlindersoorten daarnaast ontkomen aan de ongunstige omstandigheden in bepaalde seizoenen, zoals droogte of kou. Hiermee is trek een alternatieve overlevingsstrategie voor diapauze. Op een later tijdstip trekken (nakomelingen van) sommige van de vlinders weer terug.
Er zijn ook trekvlindersoorten die over grote afstanden trekken, waarvan terugtrek niet is vastgesteld, zoals de pijlstaarten die in onze omgeving als trekvlinder terecht komen[1]. Dat wil niet zeggen dat geen individuen terugtrekken, maar het gaat dan om minder grote aantallen. Bij deze soorten lijkt het in eerste instantie minder duidelijk wat precies het voordeel is voor de soort om zo ver te trekken. We moeten echter bedenken dat dergelijke soorten vaak leven van kruidachtige planten, en dat is geen stabiele leefomgeving. Kruidachtige planten zijn kwetsbaarder voor externe invloeden zoals droogte, dan bijvoorbeeld struiken en bomen. Om hieraan het hoofd te bieden is migratie een methode, en ook deze soorten ontkomen hierdoor aan ongunstige omstandigheden. Dat veel vlinders terechtkomen in een gebied waar zij zich niet blijvend kunnen vestigen, weegt kennelijk op tegen het telkens kunnen vinden van gunstige omstandigheden. Bovendien kan een beperkt aantal terugtrekkers toch zorgen voor het opnieuw ontstaan van een populatie.[16]
Vlindertrek heeft voor de soort nadelen. Het trekken kost veel energie aan de vlinders en is risicovol. Onderweg sterven veel exemplaren en ook niet alle exemplaren komen in geschikt leefgebied terecht. Aan de randen van wat geschikt leefgebied is, kan er ook sprake zijn van verminderde vruchtbaarheid. Zo zijn wijfjes van de doodshoofdvlinder die in gematigde gebieden, zoals in Nederland, worden geboren, sterk verminderd tot niet vruchtbaar.[1]
Reproductie in gunstige gebieden moet derhalve heel groot zijn om de balans tussen voor- en nadelen in het voordeel van de vlindertrek te laten uitvallen.
Wanneer vlinders massaal gaan trekken, is dat een opvallende verschijning, die goed waar te nemen en te volgen is. Er zijn verschillende meldingen van vlindertrek overgeleverd. Zo zijn er al meldingen uit 1100 van trekkende vlinders (vermoedelijk koolwitjes) van Beieren naar Saksen en uit 1248 van trek van gele vlinders in Japan.
Bij vliegen op grote hoogte is het waarnemen van vlindertrek aanzienlijk lastiger dan wanneer laag wordt gevlogen. In dat laatste geval worden de vlinders gauw opgemerkt of gemakkelijk gevangen in bijvoorbeeld een lichtval. Op hoogte wordt soms gebruikt gemaakt van een vangnet aan een luchtballon. Ten slotte wordt gebruik gemaakt van radar. Recent zijn radartechnieken zo verfijnd geworden dat hiermee nauwkeurige waarnemingen kunnen worden gedaan.[6]
Een andere gebruikte techniek om vlindertrek te registreren is het markeren met kleine stickertjes op de vleugels, vergelijkbaar met het ringen van vogels. Door het kleine aantal terugmeldingen is dit een niet zo effectieve manier gebleken.[2] Met het steeds kleiner worden van elektronica lijkt het mogelijk te worden dat over enige tijd trekvlinders met minizendertjes kunnen worden uitgerust.
Zowel in Nederland als in België wordt een registratie bijgehouden van waargenomen trekvlinders. De Trekvlinderregistratie Nederland is gestart in 1940 en is daarmee het langstlopende trekvlinderproject [18], in België loopt het Belgisch Trekvlinder Onderzoek.
Het lijkt erop dat de opwarming van de aarde een toename van het aantal trekvlinders dat onze regio bereikt met zich meebrengt. Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk bevestigt dat er daar door de jaren heen steeds meer migrerende vlinders het land bereiken. Omdat van migrerende vlinders ook verwacht mag worden dat ze zich goed kunnen aanpassen, waarschuwen de onderzoekers voor gevaar voor inheemse soorten die zich minder goed kunnen aanpassen en specifieke habitateisen hebben, en voor mogelijke schade aan de gezondheid (denk aan de eikenprocessierups) en landbouw.[19]
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|